P-51B 43-6741 - USAAF 357th Fighter Group/ 362nd Fighter Squadron

De missie van 1ste Luitenant Albert Lichter op 22 February 1944 was een zogenaamde "Ramrod" missie oftwel het escorteren van bommenwerpers naar het doel. In dit geval het escorten van B-17 bommenwerpers naar de Duitse stad Bernburg.De gehele week van 20 t/m 25 Februari 1944 voeren de Geallieerden bombardementen uit op de Duitse vliegtuigfabrieken in Orschersleben, Halberstadt en Bernburg. Ook vliegen meer dan honderd B-25 bommenwerpers naar doelen in Duitsland maar deze missie wordt door slecht weer afgeblazen, de B-25 bommenwerpers vliegen echter al boven Duitsland en krijgen de opdracht om "targets of opportunity" uit te kiezen. Door de harde wind drijven de formaties naar Nederland waar men abusievelijk de bommen laat vallen op Enschede, Arnhem, Deventer en de stad waar meer dan 800 mensen omkomen Nijmegen. Bijna net zoveel slachtoffers als het Mei 1940 bombardement van Rotterdam.

Amerikaanse bommen raken het centrum van Nijmegen ( bron omroep Gelderland)

In Bernburg werden de fabrieken gebombardeerd waar o.a de Junckers Ju 88 werden gefabriceerd. De missie was een succes met grote schade aan de fabrieken. Ook hier kwamen weer vele dwangarbeiders om.

Luitenant Albert Lichter had dus als taak het escorteren van Amerikaanse bommenwerpers samen met twee andere Mustangs die deel uitmaakte van de wing waarin ze vlogen. De hoogte waar men aanvankelijk op vloog was 24.000 voet oftewel 7400 meter, waarschijnlijk op zoek naar doelen was de wing gedaald tot ongeveer 2000 meter en vloog men in de buurt van Sliedrecht. Waarschijnlijk is de Mustang van Albert Lichter toen geraakt door Duits 20mm luchtafweergeschut die tot 2200 meter hoog konden schieten en zag Albert Lichter zich gedwongen om het vliegtuig te verlaten. Voor hij dat deed meldde hij per radio aan zijn squadron leader Lt. Egenes dat hij geraakt was door luchtafweergeschut en dat hij uit het vliegtuig ging springen. Deze sprong werd gevolgd door een andere wingman Captain Lingo. Hij beschrijft dit in onderstaand document.

De brandende Junkers fabrieken in Bernburg tijdens het bombardement. ( Foto National Archives Washington)

Het verslag van Captain Lingo die zelf 2 maanden later op 11 April 1944 tijdens een luchtgevecht sneuvelt

Captain Lingo is niet de enige die Albert Lichter met zijn parachut ziet dalen. Op de grond bij Giessen-Oudekerk zien de broers Sijmen en Mink Tukker de Amerikaan naar beneden komen en zien hoe de Mustang met de neus naar beneden op het land van de familie de Baat net achter de kerk zich in de grond boort. Lt. Lichter zweefde met zijn parachute omlaag en kwam volgens Sijmen Tukker aan de grond in de omgeving van de molen van Frans Vogel aan de Tiendweg. Ook in het boek van Korpel: “De Waard in oorlogstijd” wordt melding gemaakt van deze crash. Volgens Korpel werd de piloot gevangen genomen door soldaten van de Duitse Kriegsmarine. Zij behoorden tot de bemanning van een boot die bij de machinefabriek Van Bennekom in Giessendam voor reparatie lag.

Lt. Lichter werd op transport gesteld naar een krijgsgevangenenkamp in Barth in Duitsland. Hij verbleef daar 435 dagen. Het kamp, Stalag Luft I aan de Baltische kust, werd door de Russische troepen bevrijd op 1 mei 1945. Bij zijn terugkomst in Amerika zei hij nooit meer naar Europa terug te gaan.

 

1e Luitenant Albert C. Lichter

Opgraving van de P-51 in Juni 2007

Van de Mustang, die zich diep in de Oudkerkse grond had geboord, was weinig meer terug te vinden. Wat in het weiland lag werd door de Duitsers opgeruimd. Wel vond Job de Ruiter in de herfst van 1944 bij het sloten de propeller van het toestel. Hij bevestigde deze aan de schuurdeur van Groen Kooijman. Dit was tegen de zin van de Duitsers, die de propeller weer verwijderden.

In het begin van de vijftiger jaren is nog een poging gedaan om het toestel te bergen, waarschijnlijk door personen die belangstelling hadden voor de metaalresten. Het toestel was echter zo diep in de grond verdwenen dat al spoedig de werkzaamheden werden gestaakt.

 

Albert C. Lichter is op 19 April 2000 overleden. Nooit was hij meer terug geweest naar de plaatst waar hij was neergestort. Zijn kinderen, 2 dochters en zijn kleinkinderen, waren geïnteresseerd naar het oorlogsverleden van hun vader en grootvader. Zij probeerden te achterhalen waar het toestel was neergestort en of het ooit geborgen was.

Zij kwamen in contact met de stichting “DARE 40-45” (Dutch Airwar Reseach & Excavation). Deze stichting had tot doel de in de oorlog neergestorte vliegtuigen te lokaliseren.De stichting “DARE 40-45” kwam bij hun onderzoek terecht bij de Geschiedkundige Vereniging Schelluinen en Giessenburg en via ons bij Sijmen Tukker. In samenwerking met hem werd de locatie bepaald en na metingen bleken de restanten van het vliegtuig nog steeds in de grond te zitten.

Op 23 juni 2007 werd met behulp van een grote graafmachine een put gegraven van 6 à 7 meter diep. De overblijfselen van de Mustang werden onder grote belangstelling uit de put gehaald. Ook de twee dochters van Albert Lichter en hun kinderen waren op deze morgen bij de werkzaamheden aanwezig. Zij logeerden gedurende een week in Giessenburg. Tijdens de berging was de kerosinelucht nog te ruiken. Door de medewerkers van “DARE 40-45” werden alle brokstukken verzameld. Zelfs de mitrailleur met munitie werd geborgen. Alles werd door hen gefotografeerd en geregistreerd. Alle gevonden onderdelen van het vliegtuig werden daarna naar de opslag van “DARE 40-45” meegenomen. Alleen wij kregen een kleine, naar kerosine ruikende, scherf. Deze scherf ligt nu in de oorlogshoek van het museum Het Reghthuys als aandenken en eerbetoon aan de geallieerde vliegers die met gevaar voor eigen leven -en velen gaven ook hun leven- zich inzetten om ons land te bevrijden.

 

Fotoreportage van de opgraving door fotograaf Leo Lanser www.ll.nl